|
(Lees voor: hij en speler, ook: zij en speelster) Daar, waar in de reglementen gesproken wordt over kloot of klootschieter, kan ook kloat of kogel resp. kloatscheeter of kogelwerper gelezen worden.
Art. 1 Vóór de aanvang van een wedstrijd dienen de betrokken partijen bekend te zijn met het door de Bond goedgekeurde baanreglement, hetwelk vóór en tijdens de wedstrijd duidelijk zichtbaar bij de start aangebracht dient te zijn. Art. 2 Er wordt gespeeld met een ronde houten kloat. De houtsoort mag verschillend zijn, doch per kloat is slechts één houtsoort toegestaan. De minimumomtrek van een kloat is 16 cm (of een minimumdiameter van 50 mm); een maximum maat wordt niet voorgeschreven. De kloat is drie maal haaks op elkaar doorboord en de aldus ontstane gaten, welke uitsluitend met lood zijn gevuld, dienen cilindrisch dezelfde diameter te hebben. Deze kloat mag in verband met een verhoogde duurzaamheid voorzien zijn van een doorzichtige laklaag of impregneermiddel. In alle gevallen moeten houtomtrek en loodpillen volledig zichtbaar zijn. De uiteinden van de loodpillen dienen deel uit te maken van het loopvlak. Bij overtreding volgt diskwalificatie van de betrokken speler. Bij wedstrijden op straat, die als recreatief zijn aangemerkt, mag i.p.v. hout ook kunststof gebruikt worden. Art. 3 Men speelt de losse onderarmse slag. Andere werptechnieken, zoals slingerslag, bovenarms, rondslag enz. zijn verboden. Art. 4 Het inschieten voor een competitiewedstrijd op dezelfde baan waarop reeds wedstrijden bezig zijn dient met de nodige voorzichtigheid te geschieden om gevaarlijke situaties te vermijden. Men dient ten allen tijde de spelende teams voorrang te verlenen. Art. 5 De stoklegger mag niet voor spelers van zijn eigen vereniging fungeren en ook een eventuele scheidsrechter dient neutraal te zijn. In bepaalde gevallen kan – mits zulks in het wedstrijdreglement vermeld wordt – van deze regel worden afgeweken. Art. 6 De leiding mag zich niet hinderlijk ten opzichte van de speler opstellen en dient minimaal 2 meter van de meetlat - en wel in het verlengde daarvan - verwijderd te blijven. Art. 7 Elke ploeg wijst een ploegleider aan, welke bij de tegenstander bekend dient te zijn. Hij hoeft geen stoklegger te zijn. Treden er tijdens een wedstrijd moeilijkheden op, dan worden deze door de afzonderlijke ploegleiders besproken en eventueel opgelost. Bij blijvend verschil van mening kan men een protest indienen. Art. 8 De speler moet zijn aanloop doen voor een meetlat – al dan niet van hout – met een lengte van precies 2 meter en een dikte van maximaal 2 cm. De stok mag niet van rond metaal en/of kunststof zijn en dient in het midden voorzien te zijn van een markering. Art. 9 Zowel bij het beginpunt, alsmede bij overschrijding van de keerpunten, mag de speler aangeven, waar hij op de betreffende lijn – binnen de baanbegrenzing – de meetlat wenst neergelegd te hebben. Art. 10 Na iedere beurt moet de volgende schutter beginnen op de plaats waar de kloot is terechtgekomen, echter met dien verstande dat de meetlat vanaf dit punt maximaal 2½ keer naar links of naar rechts verlegd mag worden, dit op aangeven van de schutter. Is de kloot zover buiten de baan beland, dat dit niet mogelijk is, dan dient de meetlat aan de binnenkant van de baanbegrenzing te worden gelegd en wel aan die zijde waar de kloot de baan heeft verlaten. De meetlat wordt hierbij loodrecht op de as van de baan neergelegd. Art. 11 De kloat dient de hand te hebben verlaten alvorens de speler de meetlat aanraakt, of één der voeten op of achter de meetlat/meetlijn de grond raakt, anders is het schot ongeldig. Ook het loslaten naast de meetlat of het toepassen van een verkeerde techniek maakt het schot ongeldig. Na 3 achtereenvolgende ongeldige worpen wordt de meetlat 30 meter teruggelegd. Dezelfde speler mag daarna nog één maal een 3-voudige poging doen, maar als ook dan geen geldige worp heeft plaatsgevonden, dan verspeelt hij zijn beurt en wordt zijn plaats door de volgende speler ingenomen. Wanneer het terugleggen van deze 30 meter niet mogelijk is (b.v. bij de startlijn) dan wordt deze 30 meter op de eerstvolgende worp in mindering gebracht. Art. 12 Na 1 of 2 ongeldige worpen mag de plaats van de speler door de volgende speler worden ingenomen. Samen mogen echter de in art. 9 genoemde 3 beurten niet worden overschreden. De eerste speler mag in dit geval alsnog in de lopende ronde worden ingezet. Art. 13 De aanloop mag buiten de baan geschieden, doch de afzet voor een schot moet altijd binnen de baanbegrenzing plaatsvinden. Art. 14 Indien een speler na zijn starthouding doch vóór of tijdens zijn afzetsprong de kloot uit de werphand laat glippen, dan wordt dit wel als een geldige worp aangemerkt, indien de kloat de meetlat of het verlengde hiervan is gepasseerd. Het geldt wel als een poging tot een schot ingevolge artikel 11. Art. 15 De kloat mag niet worden tegengehouden, ook niet bij het teruglopen van een helling en dergelijke. Aanraking of verplaatsing van de kloat is niet toegestaan voordat de scheidsrechter of stoklegger aanwezig is en hiervoor zijn toestemming geeft. Bij overtreding wordt de meetlat 30 meter teruggelegd, gerekend vanaf het door de speler behaalde eindpunt. Wordt de kloat moedwillig begunstigd in haar uitloop, dan wordt de kloat vanaf betreffend punt 30 meter teruggelegd. Indien een kloat wordt opgenomen, teneinde te voorkomen dat de kloat van de tegenstander in zijn beurt deze raakt, dan is dit toegestaan, mits deze direct weer op dezelfde plaats wordt neergelegd. Art. 16 Wordt de kloat tijdens de vlucht of uitrol binnen of buiten de baanbegrenzing in eerste instantie gehinderd door personen, die geen lid zijn van de vereniging van de betrokken speler, of komt de kloat in aanraking met voorwerpen door nietclubgenoten op de baan aangebracht, dan kan op verzoek opnieuw worden geschoten. Indien de kloat tijdens de vlucht of uitrol de kloat of voorwerpen van zowel clubgenoten als niet-clubgenoten raakt, die zich buiten de baanbegrenzing bevinden, is het schot geldig en wordt er niet overgeschoten. Indien de kloat een andere kloat, eventueel van een clubgenoot, raakt binnen de baanmarkering, mag opnieuw geschoten worden, tenzij er in teamverband gespeeld wordt en de kloat van een teamgenoot is. De meetlat voor het schot, vlaggen, afstandsmarkeringen, afrastering e.d. behoren tot de vaste obstakels. Bij aanraking of tegenhouding door één dezer obstakels mag niet worden overgeschoten, mits hierin is voorzien in het specifieke baanreglement. Art. 17 Wanneer de kloat bij het neerkomen of bij de uitrol (inclusief de aanloop) in meerdere delen uiteen valt, dan moet er opnieuw geschoten worden. Art. 18 Eindigt een wedstrijd onbeslist, dan dient vanaf dit eindpunt – dus waar de kloaten zijn blijven liggen – alsnog één volle ronde gespeeld te worden. In een persoonlijke wedstrijd wordt deze verlenging beperkt tot één worp. Bij grote groepswedstrijden kan de leiding anders beslissen. Art. 19 Treden tijdens een wedstrijd meningsverschillen op omtrent spelregels, dan nemen de leiders een beslissing. Is men het met deze beslissing niet eens of men komt niet tot een vergelijk of betreft het een geval waarin middels spelregels niet is voorzien, dan kan binnen 3 x 24 uur een schriftelijk protest ingediend worden bij het bondsbestuur. Art. 20 In bijzondere gevallen, zoals slechte weersomstandigheden, onregelmatigheden enz. kan alleen de leiding een wedstrijd onderbreken of doen staken. Ontbreekt een scheidsrechter, dan kan onderbreking of staking alleen plaatsvinden met goedkeuring van de betrokken partijen. Art. 21 Raakt de kloat om een of andere reden tijdens de wedstrijd zoek, dan mag maximaal 10 minuten naar de kloat gezocht worden. Is de kloat dan nog niet gevonden, dan wordt de wedstrijd hervat op die plaats, waarvan men aanneemt, dat de kloat daar had moeten liggen. De scheidsrechter bepaalt deze plaats. Men krijgt vanaf deze plaats maximaal 2½ maal de meetlat naar links of naar rechts verlegd, tot minimaal één stoklengte op de baan. Art. 22 De achterliggende partij of speler dient als eerste te schieten. Art. 23 (wijz.) Bij ongeldigheid van een worp dient de scheidsrechter ten allen tijde bij alle NKBwedstrijden gebruik te maken van een rode vlag. De thuisvereniging dient voor voldoende vlaggen en stokken te zorgen, ook voor de bezoekende teams. Voor wat betreft de competitiewedstrijden geldt de verplichting van een rode vlag voor de hoofd- en 1e klasse. Indien bij wedstrijden in de 2e klasse of lager en tijdens juniorenwedstrijden, één der teams gebruik wenst te maken van een rode vlag, dient de tegenstander zich hieraan te conformeren. Art. 24 In gevallen, waarin dit reglement niet voorziet, beslist de reglementencommissie en diens uitspaak is bindend.
|